vrijdag 28 augustus 2009

Les 8: Remise

Schaakpartijen gaan erom de koning te vangen. Als de koning zodanig schaak staat dat hij zich niet meer aan een aanval kan onttrekken, is het mat. Toch komt mat in een schaakpartij zelden voor. Ervaren spelers geven er de voorkeur aan de partij op te geven als verlies onvermijdelijk is. Mat gezet worden, beschouwen ze als een vernedering. Dat laten ze niet toe.

Behalve in een overwinning kan een schaakpartij ook in remise eindigen. Dat is in de schaaksport gewoon een duur woord voor gelijkspel. Uiteraard eindigt een partij in remise als er te weinig materiaal overblijft om nog ooit mat te zetten, bijvoorbeeld als er nog slechts twee koningen over zijn. Bovendien kan één van de spelers remise claimen wanneer voor de derde keer precies dezelfde stelling op het bord komt. In de volksmond wordt dat ‘herhaling van zetten’ genoemd, wat ook in het maatschappelijk debat spreekwoordelijk is geworden. Maar de meeste schaakpartijen onder topspelers eindigen onbeslist doordat de spelers remise overeenkomen. Dat gaat reglementair zo: tijdens het uitvoeren van de zet of onmiddellijk daarna zeg je tegen de tegenstander: “Ik bied remise aan”. De tegenstander kan het aanbod zo lang in beraad nemen als hij wil, maar zodra hij een zet doet is het vervallen. Nette mensen mompelen nog even iets als: “Ik probeer het nog even”, maar dat hoeft niet.

En dan hebben we natuurlijk nog de ‘patstelling’, die ook al tot het politieke domein is doorgedrongen. Wanneer de speler die aan de beurt is geen enkele reglementaire zet kan doen, staat hij pat. Met de zetten die hij zou kunnen spelen, zet hij zichzelf schaak en dat is verboden. In de politiek is sprake van een patstelling als beide partijen geen mogelijkheid meer zien om de discussie voort te zetten. In het schaakspel is er echt geen voortzetting meer en eindigt de partij in remise.

We hebben het al eerder over de paradoxen in het schaakspel gehad, maar de patregel is de grootste. Het is bijna altijd van belang zelf zo veel mogelijk bewegingsvrijheid na te streven en die van de tegenstander te beperken. Maar door de patregel moet die strategie onder omstandigheden volledig worden omgedraaid. Wie zijn moeizame stelling door pat wil redden, dient de bewegingsvrijheid van zijn stukken zo snel mogelijk tot nul te beperken. Wie wil voorkomen dat zijn tegenstander zich door pat redt, moet hem extra zetmogelijkheden bieden. Door de patregel wordt ook de zogenaamde minorpromotie onder omstandigheden rationeel: de promotie van een pion tot een ander stuk dan de dame.


Zeer illustratief voor allerlei remisemogelijkheden is de Saavedra-stelling, waarvan u de ware geschiedenis kunt nalezen op de site van Tim Krabbé. Ik kan u wel rechtstreeks naar het artikel linken, maar het is veel leuker om even over de site te dwalen, want er is van alles te vinden. Kort door de bocht komt het hier op neer. In een partij tussen een amateur en de bekende schaker W.N. Potter kwam het tot een vergelijkbare stelling als de diagramstelling van opgave 282 hierboven. Wit speelde 1. c6-c7, waarop Potter 1. … Td5-d6+ speelde en remise aanbood. Wit moet promoveren om te kunnen winnen, maar op 2. Kb7 volgt 2. … Td7 en 3. … Txc7 waarna er slechts twee koningen resteren. Gaat de koning naar de a-lijn, dan volgt 2. … Tc6. En op 2. Kc5 komt 2. … Td1! gevolgd door 3. … Tc1, een instructieve aanval in de rug. De amateur nam de remise daarom aan, waarna Potter hem meteen de winst liet zien: 2. Kb6-b5! Td6-d5+ (anders promoveert de witte pion) 3. Kb5-b4 (Niet 3. Kc4 Td8! en de toren komt weer tijdig op c8.) 3. … Td5-d4+ 4. Kb4-b3 Td4-d3+ 5. Kb3-c2 en nu de koning naar de overkant is gelopen, kan de toren niet meer achterom en is een veilige pionpromotie gegarandeerd; een dame wint in het algemeen gemakkelijk van een toren.

Tijdens het schrijven van een necrologie over Potter kwam een zekere G.E. Barbier, die een schaakrubriek had in Glasgow’s Weekly Citizen, erachter dat zwart in de slotstelling nog een truc heeft. Namelijk 5. … Td3-d4! En nu is het na 6. c7-c8D Td4-c4+! 7. Dc8xc4 pat. Op 27 april 1895 publiceerde hij de diagramstelling als remiseopgave.

Op 11 mei meldde de volstrekt onbekende schaker Fernando Saavedra dat hij toch een winst voor wit had gevonden. Hij speelde 6. c7-c8T!! De pion promoveert dus niet tot dame, maar tot toren. De patwending is daarmee uit de stelling gehaald en bovendien dreigt wit mat op a8. Zwarts enige verdediging is 6. … Td4-a4, maar dan volgt 7. Kc2-b3! En door de matdreiging op c1 wint wit zwarts toren en snel daarna de partij. Zo ontstond één van de beroemdste eindspelen uit de schaakgeschiedenis en bereikte Fernando Saavedra onsterfelijkheid.

donderdag 20 augustus 2009

Les 7: De rokade

Wie naast deze lessen op dit blog of in Brabants Centrum de Chess Tutor van Stappenmethode.nl gebruikt, zal merken dat ik de volgorde hier een beetje heb verander. Ik sla twee lessen ‘mat in één’ over, omdat ik u liever eerst alle spelregels uitleg. We zijn er bijna. De belangrijkste regel die u nog niet kent, is die van de rokade: les 9 in de Chess Tutor.


Een tijd lang heeft in een voorloper van het moderne schaakspel een regel bestaan waarbij de koning één keer in de hele partij een sprong mocht maken naar een willekeurig veld. Alsof de reusachtige vogel Rok uit de sprookjes van Duizend en één Nacht hem oppakt om hem in veiligheid te brengen. De regel heeft het niet overleefd, maar het verhaal zegt misschien wel iets over de etymologie van het woord rokade. Het Engelse ‘rook’, heeft er misschien ook iets mee te maken. Het is een raar woord dat alleen door schakers wordt gebruikt om een toren aan te duiden en dat in Harry Potter and the Deathly Hallows tot een misverstand leidt tussen Ron en Hermione als ze in de verte het huis van Luna Lovegood ontwaren: “‘It looks like a giant rook!’ ‘It’s nothing like a bird,’ said Hermione, frowning at the tower. ‘I was talking about a chess rook’, said Ron. ‘A castle to you.’” Opmerkelijk genoeg heet rokeren in het Engels ‘castling’. En een 'rook' is geen 'vogel rok, maar gewoon een roek.

Bij de rokade worden twee stukken tegelijkertijd verzet: een koning en een toren. De koning beweegt twee velden in de richting van de toren waarna de toren over de koning heen springt en naast hem gaat staan. Het mag alleen onder precies voorgeschreven omstandigheden:
  • de koning mag niet schaak staan,
  • koning noch toren mogen eerder hebben gezet,
  • er mogen geen stukken tussen koning en toren staan,
  • koning noch toren mogen op een aangevallen veld terechtkomen.

Rokeren met de koningstoren heet ‘korte rokade’ wat genoteerd wordt als ‘0-0. Op de damevleugel kun je ‘lang rokeren’ met de dametoren: ‘0-0-0’. De rokade is een heel handige zet om de koning in veiligheid te brengen en snel de toren te ontwikkelen.


Eén van de mooiste schaakgrappen komt van Tim Krabbé. Naar aanleiding van een idee van Max Pam construeerde hij de bovenstaande stelling. Hij vraagt hier om een mat in drie zetten. Ik splits het probleem even op. Wit begint met 1. e6-e7 Nu volgt op 1. … d4 2. e8D+ en 3. De2 mat. Vraag 1: Hoe is het mat na 1. … g4xf3 2. e7-e8D+ Ke3-d3? Vraag 2: Wat volgt op 1. … Ke3xf3 2. e7-e8T (let op de promotie tot toren!) d3-d4? Dan zal ik zelf vraag 3 beantwoorden: op 1. … Ke3xf3 2. e7-e8T! Kf3-g2 volgt 3. 0-0-0-0 mat. Die laatste zet met de vier nullen is de ellenlange rokade. Hij wordt geheel volgens de regels uitgevoerd met een toren die nog nooit gespeeld heeft, namelijk de toren op e8 die pas bij de pionpromotie is ontstaan en de koning.

De ellenlange rokade van Krabbé en Pam is niet reglementair. Na de publicatie van dit absurde idee in 1972 heeft de wereldschaakbond de formulering van de spelregels aangescherpt. U leert er in elk geval van dat schakers elkaar altijd voor de gek willen houden. Hoe dat er in Boxtel aan toegaat, leest u op dubbelschaak.nl.

donderdag 13 augustus 2009

Les 6: Schaak en schaak opheffen

In de vorige les zagen we dat een schaakstuk dat aangevallen staat, gedekt kan worden. Als een gedekt stuk geslagen wordt, pak je gewoon terug. Zo kun je stukken ruilen, maar niet alle stukken op het schaakbord zijn even sterk. Een toren kan snel alle velden op het bord bereiken. Een loper mag alleen op de kleur van de velden spelen waar hij begon. En een paard kan weliswaar springen en overal komen, maar het is wel behoorlijk traag. Het is dus zaak geen toren voor een loper of paard te ruilen.

Als hulpmiddel om de ruilwaarde van de stukken te onthouden, gebruiken de meeste schakers de zogenaamde Schaal van Euwe, genoemd naar de Nederlander Max Euwe die van 1932 tot 1935 wereldkampioen was en talloze leerboeken over het schaakspel publiceerde:
Dame 9
Toren 5
Loper 3
Paard 3
Pion 1

De tabel zegt dat een paard en loper allebei ongeveer drie pionnen waard zijn en een toren vijf. Het sterkste stuk is een dame, maar je kunt haar verlies bijvoorbeeld wel compenseren met een toren, een loper en een pion. Let er echter op dat de tabel slechts een gemiddelde aangeeft. ‘Ceteris paribus’ zegt Euwe plechtig in zijn vele boeken, dus ‘onder overigens gelijke omstandigheden’, zijn paard en loper even sterk. Maar het hangt er natuurlijk helemaal vanaf waar de stukken op het bord staan en wat je ermee kunt doen. Een pion die bijna de overkant heeft bereikt, is veel meer waard dan één punt. En een paard in het midden van het bord is veel sterker dan een paard in de hoek. Tel maar na naar hoeveel velden het kan springen.

Opvallende afwezige in de Schaal van Euwe is de koning. De koning mag je niet ruilen. Staat de koning aangevallen – in jargon zeggen we dan “De koning staat schaak” – dan móet je dat schaak opheffen. Dekken valt als verdedigingsmogelijkheid af. Er zijn drie opties:
het aanvallende stuk slaan,
vluchten
of de aanvalslijn onderbreken door er iets tussen te zetten.

Pak er even bord en stukken bij en speel: 1. d2-d4 e7-e6 2. e2-e4 en nu 2. … Lf8-b4+. Het plusteken achter de zet betekent dat wit nu schaak staat. Wat kan wit doen? De loper slaan is onmogelijk, dus die optie valt af. Wit kan natuurlijk 3. Ke1-e2 spelen, maar u zult snel genoeg leren dat u de koning beter thuis kunt laten. U moet de aanval dus onderbreken door een stuk tussen de loper en de koning te plaatsen. Gelukkig is er volop keuze. 3. Dd1-d2 komt niet in aanmerking, want dan slaat zwart met zijn loper uw dame en dat kost u maar liefst zes punten op de Schaal van Euwe. 3. Lc1-d2 of Pb1-d2 of Pb1-c3 zijn wel goede zetten. U brengt een stuk in het spel en u hoeft niet bang te zijn dat het geslagen wordt, want dan pakt u gewoon terug en is er een eerlijke ruil tot stand gekomen. Nog beter is echter 3. c2-c3. Uw pion dreigt dan de loper te slaan en die kan maar beter vluchten, want anders komt u materieel in het voordeel. Bovendien heeft u nu een stevig pionnenfront gevormd dat de stukken van de tegenpartij op een afstand houdt en u volop bewegingsvrijheid biedt.

Veel huisschakers denken dat het verplicht is “Schaak!’ te zeggen als ze de vijandelijke koning aanvallen. Dat is beslist niet het geval. Sterker nog: in het wedstrijdschaak mag dat helemaal niet. Tijdens officiële partijen mag je helemaal niets tegen de tegenstander zeggen, behalve als je remise wilt aanbieden of de partij wilt opgeven. Hoe dat gaat, daar komen we later nog wel op terug. Maar in het gewone clubschaak is er natuurlijk nog een optie: u kunt altijd uw tegenstander iets te drinken aanbieden.

Op dinsdag 25 augustus is Grand Café Rembrandt, het thuislokaal van Schaakvereniging Dubbelschaak, weer open. U bent van harte welkom om een vrij partijtje te komen schaken. Intussen kunt u nog even oefenen tegen drie computerprogramma’s op dubbelschaak.nl.

donderdag 6 augustus 2009

Les 5: Verdedigen



Het is na vier lessen de hoogste tijd om uw eerste potje te spelen. In het diagram hierboven ziet u de beginstelling van iedere schaakpartij. Pionnen, torens en paarden zult u ongetwijfeld herkennen. De loper wordt verbeeld door de bisschopsmijter. De koning heeft een kruisje op zijn kroon. En wanneer u het bord zoals het hoort met een wit veld rechts voor u heeft gelegd, staat de witte dame op een wit veld en de zwarte op zwart, respectievelijk op d1 en d8.

Wit begint. Als u zo verstandig bent geweest om naast deze cursus de Chess Tutor 1 van Stappenmethode.nl te gebruiken, heeft u de loop van de stukken al behoorlijk geoefend. U weet dan dat u met een paardzet kunt beginnen, want paarden kunnen over de pionnen springen, maar u zult dan ook wel inzien dat u snel een paar pionzetten moet doen om de andere stukken in het spel te betrekken. De meeste schaakpartijen beginnen dan ook met een pion. Telt u voor de aardigheid eens na hoeveel verschillende zetten u kunt doen.

Laten we deze eerste keer beginnen met de meest klassieke openingszet: 1. e2-e4, de zet met de koningspion die twee velden oprukt. U staat nu klaar om de witveldige loper of de dame in het spel te brengen. Dat vergroot uw opties op de volgende zet aanzienlijk en dat is natuurlijk een voordeel. Maar u moet er in de loop van de partij natuurlijk wel op letten dat u geen materiaal weggeeft. Vroeg of laat dreigt uw tegenstander iets van u te pakken en dan moet u weten hoe u zich tegen die dreiging kunt verdedigen.

Daar zijn een aantal verschillende mogelijkheden voor waarvan ik er in deze les drie wil demonstreren: slaan, vluchten of dekken. Stelt u zich eens voor dat zwart uw openingszet beantwoordt met een sprong van zijn paard aan de koningskant naar het zwarte veld voor de loper: in algebraïsche notatie 1. … Pg8-f6. Hij valt dan met zijn paard uw pion op e4 aan. De onverlaat dreigt hem gewoon te pakken. Als u het paard van f6 van het bord zou kunnen slaan, was dat natuurlijk een prima verdediging, maar helaas, dat kan niet. Resteert vluchten of dekken.

Dekken kan op een heleboel verschillende manieren, bijvoorbeeld door de ontwikkeling van het damepaard met 2. Pb1-c3. Zwart zou nu de pion kunnen slaan, maar dat doet hij niet want na 2. … Pf6xe4 slaat u met uw paard zijn paard en aangezien een paard veel sterker is dan een pion bent u meteen in het voordeel. Vluchten klinkt een beetje laf, maar vaak is dat een aantrekkelijke optie. Nu ook. Door met de pion verder op te rukken (ofwel 2. e4-e5) maakt u zich niet alleen uit de voeten, maar valt u op uw beurt het zwarte paard aan. Dat moet er vervolgens vandoor, want zwart kan zich niet permitteren het paard tegen een pion te ruilen.

Deze week hebben we geen opgave. Zoekt u maar liever een tegenstander en probeer zijn koning te veroveren. Als u niemand kunt vinden: op dubbelschaak.nl staat drie computerprogramma’s waar u tegen kunt spelen: het zwakste virtuele tegenstanders dat ik kon vinden. U maakt beslist een goede kans.

donderdag 30 juli 2009

Les 4: De pion

Wie na drie lessen heeft geconcludeerd dat schaken maar een doods spelletje is, kan enig inzicht niet worden ontzegd, maar heeft wellicht niet genoeg geduld om het tot een groot meester te brengen. Want pas in deze les zullen we het schaakspel leven inblazen. Het wonder geschiedt met behulp van de pionnen. Die hebben de schaakspelers ieder acht. Ze staan in het begin van de partij keurig naast elkaar op de tweede en zevende rij voor de overige stukken. En daar staan ze de torens, lopers en dames danig in de weg.

“Les pions sont l’âme du jeu”, schreef François-André Danican Philidor (1726-1795) in zijn beroemde boek L’analyze des Echecs (Londen 1749). Philidor, een Franse musicus en componist, was veruit de sterkste schaker uit zijn tijd. Vooral zijn eindspelanalyses getuigen van een enorm inzicht en hebben de basis gelegd voor de wetenschappelijke benadering van het schaakspel. Maar nog belangwekkender is zijn ontmaskering van de pionnen als ziel van het schaakspel. Om erachter te komen wat hij met zijn uitspraak heeft bedoeld, zullen we eerst maar eens naar de spelregels kijken.

De pionnen in het schaakspel kunnen alleen oprukken. Bij iedere zet één stapje. Alleen als ze nog in de beginstelling staan, mogen ze in één zet twee vakjes vooruit. In tegenstelling tot de andere schaakfiguren slaat de pion anders dan hij gaat: de pion loopt recht vooruit, maar slaat schuin. Staat een witte pion dus recht tegenover een zwarte pion, dan blokkeren ze elkaar. Pas als er een vijandelijk stuk schuin voor de pion opdoemt, kan de pion weer meedoen. Daardoor geeft de opstelling van de pionnen, zeker als ze een beetje vastgeschoven staan, structuur aan de stelling. Op die manier maakt de pionnenstelling het spel statisch. Maar tegelijkertijd brengen de nietige pionnen het schaakspel een enorme dynamiek. Want een pion die de overkant van het bord bereikt, promoveert tot een schaakstuk van dezelfde kleur naar keuze. En zo kan één enkel pionnetje een schaakpartij beslissen.

Hiermee komen we terecht in één van die merkwaardige paradoxen die het schaakspel zo boeiend maken: de pionnen maken het spel statisch én geven het dynamiek. Hoe langer u het spel beoefent, hoe meer tegenstrijdigheden u zult ontdekken. Wie goed opgelet heeft, heeft er in de lessen nog één zien passeren. Het schaakspel gaat om de verovering van de koning en daarvoor is geen materieel offer te groot, maar tegelijkertijd kan één enkel pionnetje het verschil maken tussen winst of verlies. Het kan immers promoveren. Daarom moet de schaakspeler zowel bereid zijn alles op te offeren voor het grote ideaal (de verovering van de koning), maar tegelijkertijd zeer materialistisch zijn.

In de promotieregel van de pion schuilt een derde paradox. Een pion mag promoveren tot dame, toren, loper of paard. Maar waarom zou iemand eigenlijk ooit tot een ander stuk dan een dame willen promoveren? Dat is toch verreweg het sterkste stuk? Dat antwoord zal u in de komende lessen worden onthuld.



Opgaven en spelletjes om de loop van de pion te oefenen vindt u volop op de Chess Tutor Stap 1, verkrijgbaar via stappenmethode.nl. In opgave 280 wordt gevraagd om een mat in zes. Dat klinkt vreselijk moeilijk voor een beginner, maar als u begrijpt hoe de pionnen lopen, moet het lukken.



Opgave 279 van vorige week was een zogenaamde 'routeplanner'. De witte loper moet schaakgeven zonder op aangevallen velden te komen. Zwart mag verder niet meedoen. Dat gaat vrij simpel met Kf5-f4 gevolgd door Lc4-a2-b1-f5.

Tot slot een toegift voor muziekliefhebbers: Vosque veraces cecinisse, Parcae uit Carmen Saeculare van Francois-André Danican Philidor.



Alle informatie over de beoefening van de schaaksport in Boxtel vindt u op dubbelschaak.nl.

donderdag 23 juli 2009

Les 3: Gaan en slaan

Het grote verschil tussen schaken en dammen zit in de slagregels. Bij dammen moet je slaan, wat het spel een erg geforceerd karakter geeft. Bij schaken is slaan niet verplicht. Je maakt zelf uit of je slaat en wanneer. Ook de manier van slaan verschilt: koning, dame, loper en paard slaan zoals ze gaan. Wanneer je een zet kunt doen naar een veld waar zich een stuk van de tegenpartij bevindt, dan staat dat stuk aangevallen. Als je zin hebt, mag je het slaan door eenvoudig op datzelfde veld te gaan staan en het vijandelijke stuk naast het bord te plaatsen. Een bijzonder geval doet zich voor wanneer een koning staat aangevallen: zo'n situatie noemen we 'schaak'. We komen er in een volgende les op terug.

Schaken staat bekend als een erg bezadigd spel. Het is natuurlijk een gesublimeerd oorlogsspel, waarin twee legers elkaar aanvliegen, maar dat idee is zo geabstraheerd dat de meeste schaakgrootmeesters zich liever als een verlichte goeroe afficheren, dan als een slagvaardige generaal. Toch hebben ze natuurlijk een killersinstinct van jewelste. En heel af en toe wordt dat ook voor niet ingewijden zichtbaar.


In 1971 deed ik mee met het Open Nederlands Snelschaakkampioenschap dat in die tijd door Shell Chemie werd gesponsord. Ik was als puber brutaal genoeg om me voor de hoofdgroep in te schrijven. In de voorrondes werd de deelnemers ingedeeld in groepen van tien. Ik zat in een akelig sterke groep, maar in de rij achter me, was het nog erger. Daar speelde de erkende snelschaakreus Hans Böhm, een grote kerel met een hangsnor en een geel kamizool waar de borstharen uitpuilden.

Bij snelschaken wordt gespeeld met een bedenktijd van vijf of tien minuten voor de hele partij. Daarbij kunnen de emoties hoog oplopen, vooral als de tijdnood erg nijpend wordt. Er wordt hard op de schaakklok geramd, regelmatig vallen er allerlei stukken om en de adrenaline giert de spelers door de keel. Na enkele ronden ontstond er een geweldig tumult op de tafel achter me. Ik was net klaar met m’n partij en ging gauw kijken. Böhm gedroeg zich een beetje merkwaardig. Hij hield de klok vast, buiten het bereik van de tegenstander. Dat leidde tot wat duw- en trekwerk. En ineens sloegen ze elkaar over de tafel vol op het gelaat. Het werd een heuse kloppartij tot enkele dappere omstanders, waaronder Jan Timman, de kemphanen uit elkaar sleurden. Uiteraard werden de twee vechtersbazen gediskwalificeerd. Misschien had ik dit stukje beter ‘Slaan en gaan’ kunnen noemen.

Hoe het wel hoort, leert u met de Chess Tutor Stap 1 (zie stappenmethode.nl). Er staan allerlei slagoefeningen in. Erg leerzaam zijn ook de doolhofpuzzels, waarbij je een stuk op een veilige manier over het bord moet manoeuvreren zonder op aangevallen velden te komen. Als u echt wilt leren schaken, raad ik u dringend aan de Tutor te downloaden. Dan kunt u zich na de vakantie aanmelden op de schaakclub!



Opgave 279 is een voorbeeld van wat in de Stappenmethode een routeplanner wordt genoemd. Alleen wit mag spelen. Hij moet proberen zwart zo snel mogelijk schaak te zetten. Maar let op: wit mag niet op aangevallen velden komen. Het kan in vier zetten.


In opgave 278 van vorige week kan wit mat in twee geven wanneer hij begint met 1. Tg5-d5+ Dat betekent dat de witte toren van veld g5 naar veld d5 wordt gespeeld. Het plusje betekent 'schaak', de zwarte koning staat aangevallen en hij kan zich alleen verdedigen met: 1. ... Pb4xd5 Het paard van b4 neemt (dat geven we aan met dat maalteken) op d5. Nu volgt 2. Pe7-c6 mat.

Alle informatie over de beoefening van de schaaksport in Boxtel vindt u op dubbelschaak.nl.

donderdag 16 juli 2009

Les 2: De loop van de stukken

Mensen die nooit hebben geschaakt, menen over het algemeen dat de spelregels erg ingewikkeld zijn. Dan bedoelen ze de loop van de stukken. Dat is zeker niet het geval. Het is gemakkelijk in één kolom uit te leggen. Uiteraard met nog wat sappige details.

De koning is het belangrijkste stuk. Het gaat er in het schaakspel om de vijandelijke koning te veroveren. De loop van de koning is rustig en statig. Hij kan zowel recht als schuin naar de omringende velden, maar altijd maar één stapje. Is de koning zodanig aangevallen dat hij zich niet meer aan een aanval kan onttrekken, dan is de partij afgelopen: schaakmat, een verbasterde term uit het Arabisch die gewoon “De sjah is dood” betekent.

De loop van de toren is het overzichtelijkst. Hij gaat recht en zover als hij wil, maar hij mag niet over andere stukken springen. Een toren op veld e4 van een leeg bord, kan dus naar alle velden op de e-lijn spelen (van e1 tot e8) en naar alle velden op de 4e rij (van a4 tot h4). Staat er een stuk van de tegenpartij op één van die velden dan kan de toren dat stuk slaan door op dat veld te gaan staan.

De loper of raadsheer in het schaakspel beweegt zich over de diagonalen. Net als een toren kan de loper in één zet verre sprongen maken. Een loper op e4 kan naar alle velden op de diagonalen b1-h7 en h1-a8. Over andere stukken springen, mag niet. Een vijandelijk stuk wordt geslagen door de loper op hetzelfde veld te zetten. In het Engels heet een loper ‘bishop’, een sneer naar alle kerkelijke hoogwaardigheidsbekleders die in het verleden het schaakspel in de ban wilden doen omdat het de goklust zou vergroten. Wellicht herkent u in de loper van uw schaakspel de gestileerde mijter. Kinderen zien er vaak een brievenbus in en noemen de loper ‘postbode’.

De dame of koningin is het machtigste stuk op het schaakbord. Ze combineert de loop van de toren en de loper. Ze mag dus zo ver ze wil, zowel over de rechte lijnen als over de diagonalen. Een dame op e4 heeft dus maar liefst 27 mogelijke zetten. Vroeger, in het Indische, Arabische en middeleeuwse schaak, was de dame een machteloos stuk. Meestal mocht ze alleen één veldje schuin. Maar in de tijd dat Isabella van Castilië (1451-1504) de machtigste vorstin van de wereld was, werd in Spanje een nieuwe schaakvariant geboren die “dama alla rabiosa” ofwel “de woeste dame” werd genoemd. Ze is nog steeds niet getemd en terroriseert nu al meer dan 500 jaar het edele schaakspel.

Rest alleen nog het paard. Het paard springt en heet in het Duits dan ook “Der Springer”. De gang kent u wel uit paardensprongpuzzeltjes: één recht en één schuin in alle richtingen. Een paard op e4 kan dus naar d2, c3, c5, d6, f6, g5, g3 en f2 springen, zo nodig over een ander stuk heen. In het Engels heet het paard ‘knight’. Toen hij een collega ongemerkt de zet Pb4 wilde voorzeggen, begon Spassky ooit het liedje ‘Night before’ van de Beatles te neuriën.


Daarmee zijn behalve de pionnen alle stukken behandeld. Ze slaan zoals ze gaan, dus dat is ook niet moeilijk. U heeft nu genoeg informatie om uw allereerste schaakprobleem op te lossen: onze opgave 278. Het is één van de oudste bekende schaakproblemen, want het is afkomstig uit een Arabisch manuscript uit de 5e eeuw. De opgave luidt: wit geeft mat in twee. Dat betekent: wit doet een zet, waarna wit op ieder zwart antwoord mat geeft. De zwarte koning staat dan dus zodanig aangevallen, dat hij niet meer kan ontsnappen.

In de Chess Tutor Stap 1 (zie stappenmethode.nl) staan allerlei leuke oefeningen om de loop van de stukken te oefenen. De gang van het paard, zowel stap, draf als galop, kunt u oefenen met drie grote paardensprongpuzzels waarin het paard het hele schaakbord rondspringt om een gedicht te reconstrueren: Geen oorlogsspel, Waarom toch? en Luxepaarden en werkpaarden. Wilt u deze puzzels ontvangen, stuur me dan even een mailtje.

Alle informatie over de beoefening van de schaaksport in Boxtel vindt u op dubbelschaak.nl.

maandag 13 juli 2009

Job de Lange clubkampioen Dubbelschaak

Afgelopen zaterdag heeft Job de Lange de play-off om het clubkampioenschap van Dubbelschaak gewonnen. Hij versloeg Huub van Dongen met 1½ - ½. In beide partijen speelden de twee Dubbelschaak-toppers fel op winst. De eerste partij werd na wederzijdse kansen remise gegeven in een stelling waarin Van Dongen duidelijk minder stond, maar De Lange nog slechts acht seconden bedenktijd resteerden voor de rest van de partij. Van Dongen had De Lange op dat moment ‘door zijn vlag kunnen stampen’ zoals dat in schaakjargon heet wanneer nog puur op tijdsoverschrijding wordt gespeeld, maar hij wilde niet op die manier winnen.

De tweede partij werd nog spannender. Van Dongen zocht het met wit tegen de Leningrader-variant van de Hollandse Verdediging al snel in tactische complicaties. Aanvankelijk verdedigde De Lange zich uitstekend, tot hij ineens een venijnige wending over het hoofd zag. Hij moest zijn dame geven voor drie lichte stukken, die ogenschijnlijk zonder enig houvast verdwaald op het bord stonden en een gemakkelijk prooi leken te worden voor de witte dame. Het pakte echter totaal anders uit. Van Dongen miste eerste een verborgen materiaalwinst en wikkelde vervolgens af naar een eindspel waarin hij het met een toren tegen twee paarden op moest nemen. Hij meende daarin goede kansen te hebben, maar De Lange had een en ander veel beter beoordeeld. Met een serie prachtige trucs wist hij zijn paarden op de optimale velden te krijgen, waarna Van Dongen niet meer kon vermijden beslissend materiaal te verliezen. Al met al was het van beide spelers een heroïsche partij, een kampioenschap waardig.

Job de Lange en Huub van Dongen kennen elkaar al jaren. In 1985 speelde De Lange in de Meesterklasse voor Koningsclub Bergen, een door betonmagnaat Arnfried Pagel bij elkaar gekocht sterrenteam met Internationale Grootmeesters en Nederlandse toppers. Van Dongen speelde in diezelfde tijd in het eerste team van landskampioen Eindhoven. Toen Koningsclub een jaar later uiteenviel omdat de sponsor in een belastingfraudezaak werd gearresteerd, zette De Lange zijn schaakambities overboord voor een maatschappelijke carrière. Van Dongen verloor ongeveer tegelijkertijd zijn plaats in het eerste team van Eindhoven aan supertalent Loek van Wely en meldde zich aan bij de Boxtelse schaakclub.

Stom toevallig kwam Van Dongen er enkele jaren later achter dat De Lange in Liempde was gaan wonen. Twintig jaar lang heeft hij hem minstens één keer per jaar opgebeld met de vraag of Job niet bij Dubbelschaak wilde komen spelen. Drie jaar geleden had hij eindelijk beet. De Lange ging weer schaken en het was meteen afgelopen met Van Dongens hegemonie in de interne competitie. In het seizoen 2006-2007 werd De Lange meteen clubkampioen. Vorig jaar pakte Franck Steenbekkers, een andere Boxtelse schaker met een grote reputatie, de titel. Dit jaar leek Van Dongen echter weer orde op zaken te stellen. Hij won zowel het snelschaakkampioenschap als de Meierij-beker en won drie van de vier periodes in de interne competitie, waarbij hij en passant 3½ uit 4 scoorde tegen De Lange. De Dubbelschaakreglementen schrijven echter een play-offwedstrijd tijdens de feestelijke seizoensafsluiting voor tussen de nummers één en twee van de competitie. Daarin sloeg De Lange keihard toe. Hij toonde zich vooral superieur in het eindspel. Voor de spelers waren de twee lange partijen, die in totaal acht uur duurden, een lange zit. De toeschouwers vermaakten zich echter opperbest en de afsluitende barbecue ging dan ook tot in de kleine uurtjes door.

Voor het overige nieuws over de beoefening van de schaaksport in Boxtel kunt u terecht op de website van Dubbelschaak. De foto bij dit artikel is van Karin Gottlieb.

donderdag 9 juli 2009

Les 1: Het bord en de stukken

Schaken moet je jong leren, wordt vaak beweerd. Dat zal best waar wezen, maar ook wie op oudere leeftijd met het spel begint, kan er veel plezier aan beleven. De beste manier om de eerste beginselen onder de knie te krijgen, is zonder meer de Stappenmethode. Volwassenen lukt dat gemakkelijk via zelfstudie. Ik zou u willen voorstellen te beginnen met de Chess Tutor Stap 1, een prachtig Nederlandstalig softwareprogramma dat u kunt bestellen via www.stappenmethode.nl. De prijs is € 19,95, gewoon on line betalen en downloaden.

U krijgt gegarandeerd waar voor uw geld, want het is een zeer compleet pakket dat u spelenderwijs de spelregels bijbrengt. De cursus bestaat uit instructielessen en bijbehorende oefeningen en vooral die oefeningen zijn fantastisch: bijna allemaal speciaal voor de methode geprogrammeerde spelletjes waarmee u de stof verwerkt. Het enige dat in de cursus ontbreekt, zijn de verhalen rondom het spel. Want wie echt van schaken wil genieten, moet ook iets te weten komen over de duizenden jaren oude geschiedenis en cultuur van het spel. Deze zomer wil ik in deze rubriek die omissie een beetje aanvullen.

Schaken wordt gespeeld op een speelbord met 64 velden, om en om licht en donker. Let er als u een schaakbord koopt vooral op dat de coördinaten zijn aangegeven: aan de boven en onderkant van het bord met a tot en met h, aan de zijkant met de cijfers 1 tot en met 8 om de horizontale rijen te benoemen. Op die manier krijgt ieder veld een unieke naam, van ‘a1’ linksonder tot ‘h8’ rechtsboven. Die coördinaten worden gebruikt bij de notatie van de schaakzetten. Als u stukken aanschaft, kies dan voor het zogenaamde Staunton-model dat ook op alle clubs en in alle toernooien wordt gebruikt.

Waarschijnlijk is het schaakspel ongeveer 1500 jaar voor Christus in India ontstaan. De stukken symboliseerden het voetvolk, de ruiterij, olifanten en strijdwagens van het Indische leger, dat net als het spel ‘tsjatoeranga’ werd genoemd. Dat schijnt zoiets te betekenen als ‘vier delen’. Alleen in eendrachtige samenwerking kunnen de verschillende legeronderdelen de tegenstander verslaan.

Via Perzië kwam het spel in Europa, misschien wel via Spanje. In Roncesvalles, op de grens van Frankrijk en Spanje waar de Franken zoals beschreven in het Roelantslied een belangrijke slag verloren tegen de Saracenen, staat in het plaatselijke museum in elk geval een schaakspel dat van Karel de Grote geweest zou zijn. Overigens werd in die tijd zeker niet volgens de huidige spelregels gespeeld. De koning, de torens (ook wel olifanten met een gevechtstorentje op de rug) en paarden hadden dezelfde gang als vandaag, maar de dame of koningin was een machteloos stuk dat steeds maar één stapje kon doen en de loper was nog een ‘alfil’ die sprongetjes maakte op de diagonalen door steeds één veld over te slaan.

De huidige loper, die zich met rasse schreden over de diagonalen beweegt (zo ver als hij wil) komt uit het zogenaamde Koerierspel, een schaakvariant op een bord van 8 bij 12 velden, dat in de late Middeleeuwen populair was. Er bestaat een prachtig schilderij van Lucas van Leyden waarop het is afgebeeld.



U ziet wel dat schaken ook vroeger al heel gezellig was. En er valt heel wat meer over te vertellen dan alleen maar de zetjes. Ik heb het nog niet eens over het ‘zwevende schaakbord’ gehad, dat als een soort heilige graal figureert in allerlei middeleeuwse ridderromans. Of over de vele marmeren schaakborden die in minder hoofse literatuur werden gebruikt om de schedel van de tegenstander te verbrijzelen na een verloren partij.

Omdat u nog maar net met het spel begint, slaan we de wekelijkse opgave een keertje over. Daar beginnen we volgende week weer mee, als we de loop van de stukken hebben behandeld. Wie intussen meer over de beoefening van de schaaksport in Boxtel wil weten, kan terecht op dubbelschaak.nl.


Opgave 277 van vorige week, uit een recent in Roemenië gespeelde partij tussen Gelfand en Shirov, is een soort damprobleem. Wit kan niet winnen door met de koning naar h6 te lopen, want dan speelt zwart Ld1 om h4-h5 te verhinderen. Maar het kan wel met een heel opmerkelijk doorbraak: 1. f4-f5!! e6xf5 (zwart kon niet met de g-pion slaan, want dan wordt wits h-pion te sterk) 2. e5-e6!! Lb3xe6 3. h4-h5!! g6xh5 4. g5-g6!! en nu moet zwart zijn loper geven om de witte g-pion te stuiten. 4. ... f7xg6 5. Kf6xe6, maar daamee zijn we er nog niet. Wits loper op d6 houdt als een soort dam de zwarte schijven op de rechtervleugel tegen. Maar kan de zwarte koning dan niet op tijd a8 bereiken? Nee hoor. Bijvoorbeeld 5. ... Ke8-d8 6. Ke6-d5 Kd8-c8 7. Kd5-c6 en de zwarte koning is afgesneden. Wit loopt eenvoudig met de a-pion door. Noch Gelfand, noch Shirov zag deze combinatie. Allicht niet, het zijn geen dammers.

donderdag 2 juli 2009

Coup Royal

In 1970 werd in De Walnoot een schaakvereniging opgericht: De Waltoren. De club begon onder een goed gesternte, want voormalig wonderkind Bobby Fischer was net aan een sensationele comeback begonnen die in 1972 tot de wereldtitel zou leiden. Nog beter verging het damvereniging BDV, die in die tijd ook in De Walnoot resideerde. Net als Fischer maakte Ton Sijbrands een onstuitbare opmars naar de wereldtop. Schaken en dammen werden wezenloos populair.

De schakers en dammers konden goed met elkaar opschieten. Ze zaten ieder in een eigen zaaltje in de oude Walnoot achter de gang die ook als kleedlokaal voor sportactiviteiten in de gymzaal annex feestruimte werd gebruikt. Het stonk er naar zweet en rubberballen. Zoiets schept een band. Soms waagde zich zelfs een paar dammers aan een potje schaak en omgekeerd, maar dan bleken er toch al gauw enorme krachtsverschillen te zijn. Vooral de schakers kregen meestal vreselijk op hun donder. Uit het niets werd ineens een schijf geofferd, nog één, hup je moet nog een paar pakken en dan kwam ineens de grote rondslag. Zo werden we keer op keer geflest. Als we dam haalden, waren we die zo kwijt. De dammers zelf sloegen met een dam achteloos al onze schijven van het bord.

Ondanks het succes van de Nederlandse dammers is de damsport helemaal ingezakt. In Boxtel bestaat niet eens een damclub meer. Ik weet niet wanneer de vereniging is opgeheven. Via Google ontdekte ik dat in het Gemeentearchief een boekje van Pierre van der Velden moet staan over de geschiedenis van de Boxtelse Damvereniging. Ik zal het voor een volgende rubriek eens raadplegen.

Wat jammer eigenlijk dat de schaak- en damvereniging nooit zijn samengegaan. In St. Oedenrode bestaat al jaren een Rooise Dam- en Schaakvereniging. Borden, klokken en speellokaal kunnen gezamenlijk worden gebruikt, net als bijvoorbeeld de website. En ook bestuurlijk zijn schaak- en damverenigingen natuurlijk precies hetzelfde. Misschien kan het nog wel. De huidige Boxtelse schaakclub Dubbelschaak hoeft alleen de naam te veranderen in Dubbelspel.



Dat schakers nog steeds niet kunnen dammen bewezen de wereldtoppers Gelfand en Shirov tijdens het King’s Tournament in Bazna, Roemenië, dat onlangs met een punt voorsprong door Ivanchuk werd gewonnen. Op het eerste gezicht lijkt wit in de stelling van opgave 277 niet verder te kunnen komen. Loopt wit met zijn koning naar h6 om h4-h5 te spelen, dan zet zwart zijn loper op d1. Omdat f7 niet meer aangevallen staat kan hij dan een tempozet met de witte loper beantwoorden met Kd7. Een ander probleem voor wit is zijn a-pion. Die moet promoveren op een wit veld. Met witte koning, zwartveldige loper en a-pion kan wit zelfs niet winnen van de koning alleen, mits die tijdig de hoek kan bereiken. Er zit echter een combinatie in de stelling die heel erg aan het damspel doet denken. De wereldtoppers Gelfand en Shirov zagen het niet. Kunt u beter dammen?



Opgave 276 van D. Joseph uit 1922 hoort tot de elegantste eindspelstudies die ik ken. Het begin is gemakkelijk: 1. b5-b6! want na 1. h4 axb5 promoveren beide partijen tegelijkertijd. 1. ... Ka7-b8! een fraaie list, want nu kan zwart wegens pat toch promoveren. Kijk maar: 2. h2-h4 a6-a5 3. h4-h5 a5-a4 4. h5-h6 a4-a3 5. h6-h7 a3-a2 6. h7-h8D a2-a1D en wit kan zwarts dame niet slaan wegens pat. Tot zo ver was de oplossing vorige week al voorgezegd. Wit kan nu op slechts één manier winnen, namelijk met 7. Dh8-g8! (en niet 7. Df8 Da3! 8. De8 Dd6+ remise of 7. De8 Dg7! remise) 7. ... Da1-a2! 8. Dg8-e8! Da2-a4 9. De8-e5+ Kb8-a8 10. De5-h8!! en nu zwarts koning op a8 staat heeft zwart geen trucjes meer. Hij wordt in enkele zetten mat gezet.

Voor alle informatie over de beoefening van de schaaksport in Boxtel kunt u terecht op dubbelschaak.nl.

donderdag 25 juni 2009

Dame-eindspel

In het onlangs verschenen zesde nummer van het halfjaarlijkse periodiek Matten staat onder de titel 64 vragen aan een interview met Hans Böhm. Dat aantal is natuurlijk geïnspireerd op de velden van het schaakbord, maar om het boeiend te houden, was het misschien verstandiger geweest om uit te gaan van Boter, Kaas en Eieren. Wie het interview gemaakt heeft, staat er niet bij. Misschien iemand van de schoolkrant?

Vraag 42 luidt: “Heb je voor je schaakrubriek in De Telegraaf een voorbeeld?” Volgens mij is het heel onbehoorlijk om zoiets te vragen aan een schrijver. Zelfs schaakrubriekjescolumnisten zoals ik kunnen moeilijk zeggen dat ze eigenlijk iemand imiteren. Böhm antwoordt: “Nee, daarin kies ik mijn eigen weg. Je moet voor een groot publiek schrijven (…). Ik zag eens een rubriek in Trouw, die ging over een dame-eindspel, dame plus pion tegen dame. Daar zit meneer De Vries niet op te wachten.”

Trouw heeft vorig jaar de schaakrubriek geschrapt. Daarvoor werd de rubriek jarenlang verzorgd door oud-Boxtelaar Herman Grooten. Ik ken het betreffende stukje niet, maar Herman heeft er inderdaad wel eens een handje van veel te schaaktechnisch te worden. En dame-eindspelen zijn inderdaad wel heel erg moeilijk en saai. Zou hij er daarom uit zijn gegooid?

Een dame op een leeg schaakbord heeft minimaal 21, maximaal 27 mogelijke zetten. In een dame-eindspel hebben beide spelers zo’n dame. De koningen, ieder 3 tot 8 zetmogelijkheden, lopen net als de pion de dames in beetje in de weg. Een stuk of 25 zetten heeft iedere speler in een dame-eindspel echter al gauw. U snapt wel dat het menselijke brein, als het in zo’n situatie een paar zetten vooruit wil kijken, al gauw schromelijk tekortschiet. 25 x 25 x 25 x 25 verschillende stellingen en dan hebben wit en zwart ieder pas twee zetten gedaan. Dat moet een mens anders aanpakken en die andere aanpak noemen schakers ‘strategie’. Zo kun je bijvoorbeeld door schaak te geven het aantal mogelijkheden van de tegenstander beperken. ‘Eeuwig schaak’ is voor de verdediger een aantrekkelijke remisekans. De koning van de partij met een pion meer zal op het bijna lege bord op zoek moeten naar een schuilplaats. Waarschijnlijk heeft Herman Grooten daar iets over willen uitleggen, daar is hij in gespecialiseerd.

Ik waag er me liever niet aan. Niet alleen omdat ik graag deze rubriek wil houden, maar ook omdat zelfs met dit soort richtlijnen het dame-eindspel een crime blijft. Alleen de moderne computertechniek heeft geen enkele moeite met dit type eindspel. Alle mogelijk stellingen van koning en dame plus pion tegen koning en dame zijn in een database gezet. De software bepaalt vervolgens feilloos wat de optimale speelwijze is. Sterker nog: van iedere stelling met maximaal zes stukken op het bord geeft deze software binnen enkele milliseconden de optimale spelvoering aan. En dat allemaal gratis op internet.


Pionneneindspelen zijn ook moeilijk, vooral als ze in een dame-eindspel uitmonden natuurlijk. In deze eindspelstudie van D. Joseph uit 1922 kan wit winnen. Wie de stelling invoert in de hierboven genoemde database, krijgt meteen de melding ‘win in 19’. Geen zetten, maar ‘plies’, halve zetten. Daarna is het dus bij wederzijds optimaal spel mat. Om het iets eenvoudiger te maken, geef ik al vast de eerste twaalf plies van de oplossing: 1. b5-b6+!! Ka7-b8!! 2. h2-h4 a6-a5 3. h4-h5 a5-a4 4. h5-h6 a4-a3 5. h6-h7 a3-a2 6. h7-h8D a2-a1D. Na 7. Dxa1 is het pat. Dat is de crux van zwarts verdediging. Aan u de vraag: hoe wint wit nu toch? De oplossing is overigens bepaald niet saai!


Het dameeindspel van opgave 275, het slot van een compositie van Kurt Eucken uit 1974, telt te veel stukken voor de internetdatabase. De oplossing is buitengewoon verrassend. 1. c2-c4!! Dat moet je dus in de beginstelling van Eucken van te voren zien aankomen. Slaat zwart de pion, dan is het mat. de meeste andere zetten kosten de dame. En anders loopt wit wel met zijn pion naar de overkant. Kijk maar:

A: 1. ... b5xc4 2. Df6-b6 mat.
B: 1. ... Dd5xc4 2. Df6-d6 mat.
C: 1. ... Kc5xc4 2. Df6-c3 mat.
D: 1. ... Dd5-a8 2. Df6-e5+ Kc5xc4 3. De5-c3+ Kc4-d5 4. Dc3-f3+ met damewinst.
E: 1. ... Dd5-h1 (of g2) 2. Dd5-e5+ Kc5xc4 3. De5-c3+ Kc4-d5 4. Dc3-c6+ met damewinst.
F: 1. ... Dd5-g8 2. Df6-e5+ Kc5xc4 3. De5-c3+ Kc4-d5 4. Dc3-b3+ met damewinst.
G: 1. ... Dd5-e4 2. Df6-f5+ De4xf5 3. g4xf5 en wits f-pion loopt door en promoveert net op tijd met schaak.
H: 1. ... Dd5-d3 (of d2) 2. Df6-c6+ Kc5-d4 ( 2. ... Kb4 3. Dxb5 mat) 3. Dc6-d5+ Kd4-e3 4. DxD KxD 5. c4xb5 met wits b-pion bereikt ruim op tijd de overkant.
Zal ik het voortaan maar iets eenvoudiger houden? Wellicht zit meneer De Vries hier niet op te wachten.

Alle informatie over de beoefening van de schaaksport in Boxtel vindt u op dubbelschaak.nl. De foto's bij dit bericht zijn van Karin Gottlieb.

donderdag 18 juni 2009

Bloggen

Volgens de traditionele media wordt in Iran het protest tegen de verkiezingsuitslag georganiseerd via internet. Blogger, Twitter, Facebook en natuurlijk YouTube schijnen een grote rol te spelen. Kennelijk is het niet mogelijk de genoemde faciliteiten stil te leggen zonder in het hele land het complete internet uit te schakelen en dat gaat zelfs de Iraanse autoriteiten te ver. Er staat veel lariekoek op internet, maar het medium is het toppunt van democratisering. Het biedt iedereen een eigen nieuwszender en de vrijheid van meningsuiting op het web is zelfs door de ayatollahs niet te onderdrukken.

Schakers weten dat natuurlijk al lang. Er is volop beeldmateriaal en de hoeveelheid verhalen is oneindig. Omdat de alfa’s die van de hoofdredacteurenschool komen het schaakspel saai en de schakers nerds vinden, weten we de traditionele media echter nauwelijks te bereiken. En daarom tiert de schaaksport welig op internet. Alle partijen van alle grote toernooien zijn live op internet te volgen. Er zijn tientallen internetschaakclubs waar je op ieder moment van de dag kunt inloggen om een potje te spelen tegen spelers uit alle uithoeken van de wereld. En miljoenen schakers twitteren, creëren netwerken, plaatsen schaakfilmpjes of leveren commentaar in een blog. Ook verschillende leden van Dubbelschaak. Zo heeft Karin Gottlieb een blog met nieuws en uitslagen van de jeugdafdeling, houdt Curd Claassen een blog bij over scheidsrechterlijke beslissingen in de schaaksport en verzamelt beginnend journalist Jasper van de Aa zijn schaakstukjes in een blog. Ook deze rubriek wordt iedere donderdag in een blog gepubliceerd, aangevuld met beeldmateriaal en oplossingen. Een overzicht van alle nieuws en weblogs van Dubbelschaak en de Dubbelschakers vindt u op dubbelschaak.nl.

Wat ging de communicatie moeizaam in die troosteloze grauwe tijden van weleer. In 1972 speelde ik voor het eerst mee in het Open Nederlands Kampioenschap. Ik sliep in een geïmproviseerde slaapzaal in een sporthal. Een paar bedden verderop logeerde de heer Ali Salehi Moghadan, een Perziër, die toentertijd in Keulen werkte. Het was een grappige man, die bij het snelschaken al zijn zetten met de luide kreet “Attaca!” begeleidde. Ik heb nooit contact met hem gehouden - gsm, msn en twitter bestonden nog niet -, maar in 1985, toen Khomeini de beoefening van het schaakspel in Iran had verboden, hoorde ik dat Nederlandse schakers hem New in Chess toestuurden. Daar schijnt hij nog voor opgepakt te zijn en in het schaakroddelcircuit werd toen gefluisterd over honderd zweepslagen. Naderhand heeft niemand ooit nog van hem gehoord, lijkt het wel. Zelfs via Google kan ik hem niet vinden. Misschien is het wel waar en heeft hij de afranseling niet overleefd. Maar ik hoop dat hij ergens clandestien zit te internetten. Hij zou nu vast bij iedere zet “Attaca!” chatten.



Opgave 275 komt uit een eindspelstudie van Kurt Eucken. In dame-eindspelen zijn soms heel verrassende wendingen mogelijk. Soms moet de koning tientallen zetten lang rennen voor zijn leven om aan de schaakjes van de vijandelijke dame te ontkomen en soms is het opeens afgelopen. In de diagramstelling lijkt de zwarte koning veilig te staan. Wat kan hem gebeuren met die mooie gecentraliseerde dame? Wit aan zet maakt het echter in een paar zetten uit. Hoe?



In De stelling van opgave 274 won Hans Bouwmeester na 1. ... Pe7-c6 met 2. Lg2xd5 Pc6xd4 3. Lh4-f6+ ( 3. Lf2 en 3. Ld8 winnen ook, maar de tekstzet is nóg handiger) 3. ... Kg7-f8 4. e5-e6! met stukwinst. Een betere verdediging lijkt 3. ... Kg7-g6 (blijft aan Lf6 plakken, zodat e5-e6 onmogelijk is), maar dan volgt 4. Ld5-e4+ Pd4-f5 en dan heeft zwart weliswaar even het paard gered, maar hij zit in een eeuwige penning waardoor hij have en goed verliest.

Alle informatie over de beoefening van de schaaksport in Boxtel vindt u op dubbelschaak.nl.

donderdag 11 juni 2009

Matten 6

Eén van de belangrijkste in schaken gespecialiseerde uitgeverijen ter wereld is New in Chess, een puur Nederlands bedrijf, dat ontstaan is uit Uitgeverij Andriessen. Van 1968 tot 1984 gaf Willem Andriessen het roemruchte tijdschrift Schaakbulletin uit. Schaakbulletin was een blad vol ‘hartversterkende schimpscheuten’, zoals de titel luidt van een bloemlezing die in 1985 werd samengesteld door Alexander Münninghoff. Vaste medewerkers waren Hein Donner, Jan Timman, Max Pam, Tim Krabbé, Hans Ree, Genna Sosonko en vele anderen. Maar Andriessen kreeg het hoog in zijn bol, vonden wij gewone schakers. Hij moest ons lijfblad zo nodig veranderen in een glossy. New in Chess zou het ‘magazine’ gaan heten en het werd ondergebracht bij Elsevier-Interventura.

Samen met Elsevier werd ook een International Chess Database opgezet. Zo’n beetje alle ooit gepubliceerde partijen werden opgeslagen in computerbestanden en gerubriceerd met behulp van een Opening Key. Job de Lange, die nu lid is van Dubbelschaak, heeft die openingsclassificatie helpen ontwikkelen. Met behulp van de database werd een Keybook van schaakpartijen uitgegeven: ruim 900 pagina’s, dicht bedrukt met zetten en diagrammen. Het sleutelboek werd aangevuld met zogenaamde Yearbooks, die eerste ieder half jaar verschenen en later elk kwartaal. Ondanks de aanvankelijke scepsis onder het Nederlandse schaakpubliek leek de onderneming een doorslaand succes. Het was onvoorstelbaar hoeveel studiemateriaal er ineens beschikbaar kwam. Tot Elsevier er onverwacht uitstapte.

Hoe Willem Andriessen en zijn team er in geslaagd zijn weet ik niet, maar de activiteiten werden voortgezet. En wat mogen we trots zijn dat dat een Nederlands bedrijf is.

Het magazine New in Chess ziet er nog altijd uit als een glossy, maar het is ook schaaktechnisch verreweg het beste tijdschrift dat wereldwijd verschijnt. De database van schaakpartijen is gratis te raadplegen op internet en nog steeds toonaangevend. Naast de jaarboeken verschijnt ook allerlei vakliteratuur. En sinds twee en een half jaar is er zelfs weer een Nederlandstalig periodiek: Matten, een soort Hard Gras met schaakverhalen die in de verte een beetje aan het goede oude Schaakbulletin doen denken, maar dan zonder zetten en diagrammen.. Het is verkrijgbaar bij de regulier boekwinkel.

Deze week is Matten 6 verschenen. Er staat een mooie foto in sepia van Humphrey Bogart en Lauren Bacall op de cover: het hoofdartikel van Guus Luijters over schaken in Hollywood is erg lezenswaardig. Ook Jan Timman en Hans Ree leven in het blad hun literaire ambities uit. De ware liefhebber vindt bovendien interviews met Hans Bouwmeester, Henrique Mecking en Hans Böhm. Zelfs het verhaal van ‘Terror Jaap’Amesz, over zijn schaakwedstrijd tegen Jan Werle in de Gouden Kooi, is van hoog niveau. Voor iedereen die ook maar een heel klein beetje van schaken houdt, is het een erg vermakelijke bundel.



Opgave 274 komt uit een partij van Hans Bouwmeester met wit. Zwart aan zet had hier beslist voor 1. … Kf8 moeten kiezen. Wit kan dan (nu of later) de zwarte d-pion winnen door op e7 te ruilen, maar daarna ontstaat een eindspel met ongelijke lopers dat beslist niet eenvoudig te winnen is. Zwart meende echter geen pion te hoeven verliezen en speelde 1. … Pe7-c6. Dat liep slecht af. Ziet u waarom?


In een partij Tal-Smyslov uit het Kandidatentoernooi van 1959 beantwoordde Tal in de stelling van de opgave van vorige week 40. ... Tg7-d7? uiterst verrassend met 41. Th6-f6!! Smyslov zal er beslist even over hebben moeten prakkizeren, maar hij gaf zonder verder te spelen op. Tegen de dreiging 42. Tf6-f8 is geen kruid gewassen.

Op dubbelschaak.nl vindt u alle nieuws over de beoefening van de schaaksport in Boxtel. Wilt u reageren, klik dan hieronder op 'reacties'.

donderdag 4 juni 2009

Joegoslavië 1959

De wereld vroeger en nu

Vijftig jaar geleden zag de wereld er heel anders uit. Het jaar 1959 begon met een staatsgreep op Cuba, waarmee Fidel Castro de macht overnam van Fulgencio Batista, een door de Verenigde Staten gesteunde dictator met nauwe banden met de georganiseerde misdaad, die al sinds 1933 een ongehoord corrupt schrikbewind voerde. Later dat jaar bereikte de Loenik-2 als eerste ruimtevaartschip de maan en korte tijd later maakte de Loenik-3 foto’s van de achterkant van de maan die keurig werden teruggezonden naar moeder aarde. Intussen had China in Tibet op bloedige wijze een opstand neergeslagen. En in Joegoslavië werd een Kandidatentoernooi gespeeld om uit te maken wie tegen de Russische superster Michaël Botwinnik mocht uitkomen in een match om het wereldkampioenschap schaken. Er eindigden vier andere Sovjet-toppers bovenaan.



Wie met de kennis van vandaag terugkijkt op 1959, ziet echter ook lichtpuntjes. De Sovjet-overheersing loopt de eerste krasjes op. Niet alleen wordt in Nederland de eerste Eurovisie uitzending op de televisie vertoond, niet veel later gevolgd door Sport in Beeld. Ook de barbiepop en de eerste Daf-personenwagen worden geïntroduceerd. En in Amsterdam wordt ’t Lieverdje onthuld. Bovendien beklimt Cliff Richard de hitladders met “Living Doll” en zet de Zangeres Zonder naam “Ach Vaderlief” op een grammofoonplaatje. En het geld kan niet meer op, want in Slochteren ontdekken we een gasbel. Maar de grootste bedreiging voor de Russen moet toch wel de 16-jarige Amerikaan Bobby Fischer geweest zijn, die in het kandidatentoernooi van Joegoslavië met zijn 5e plaats duidelijk bewees dat hij “The Best of the West” was.

We weten allemaal dat de decadentie het inmiddels heeft gewonnen van de totale almacht van de staat. Fischer werd jaren later wereldkampioen om vervolgens, net als bijna alles en iedereen, te verloederen. De televisie stuurt alle opinies aan en wie geen luxe wagen heeft of een ander veel te duur hebbedingetje is een loser. Wereldwijd worden liedjeszangers in de media voor vol aangezien, zijn schakers nerds en worden de politici in beeld gebracht als kneuzen die al blij mogen zijn als ze met hun helden mogen sms’en. Er is veel ten goede gekeerd, maar bepaald niet alles.

Beste lezer, het wordt tijd om de wereld te herorganiseren. Enige staatscontrole kan geen kwaad nu de bestuurders van banken en multinationals het machtsvacuüm blijken te gebruiken om de eigen zakken te vullen en de massa’s in armoe te storten. Overigens hebt u als u wilt een behoorlijke inbreng in die controle, want de regelgeving in Nederland en Europa bepaalt u zelf. Gewoon even via de Stemwijzer de partijprogramma’s lezen. En dan stemmen. Dat kan nog tot vanavond 21.00 uur. Een goede opkomst geeft politici een stevig mandaat. Dat hebben ze nodig, want er moet veel gebeuren om in Europa tot in lengte van jaren in harmonie van onze welvaart te kunnen blijven genieten. Daarna gaan we weer schaken.



Tal was in het Kandidatentoernooi van 1959 de grote man. Hij won met 4½ punt voorsprong en speelde heel enerverend. Met wilde combinaties, die achteraf vaak niet helemaal bleken te kloppen, bracht hij zijn tegenstanders in grote verwarring en vooral in tijdnood. Fischer kon daar absoluut niet mee omgaan, maar ook een volwassen grootheid als voormalig wereldkampioen Smyslov liep met zwart twee keer in het mes. Zo had hij in de diagramstelling van opgave 273 gemakkelijk kunnen winnen met 40. … Dd7 om op 41. Df8+ gewoon 41. … Tg8 te spelen. Hij deed echter 40. … Tg7-d7 en werd toen verrast door een uiterst venijnige zetje. Kunt u dat vinden?

Alle partijen uit het Kandidatentoernooi vindt u hier. Het schaakfilmpje komt van YouTube, en daar staan er nog veel meer.



De oplossing van opgave 272 van vorige week, komt uit een partij tussen Meindert van der Linde en Herman Grooten. 1. ... Txa1 2. Lxa1 Dc1 houdt zwart ongetwijfeld een aardig voordeeltje vast. Een kolfje naar de hand van strateeg Herman Grooten, zou je denken. Hij koos dit keer echter, terecht, voor een veel hardere aanpak: 1. ... Pf5-e3!! 2. f2xe3 (2. Dd3 Pxg2! loopt ook slecht af voor wit.) 2. ... Dg5xe3+ 3. Kg1-h1 Ta2-f2! 4. Df1-g1 De3-e2! De laatste twee zwarte zetten onthullen de pointe van de combinatie: er dreigt 5. .. Tf1 met winnend voordeel, en daar is niets aan te doen. In de partij volgde: 5. Pe1-f3 Lb7xf3 6. Ta1-e1 Tf2xg2! 7. Te1xe2 Tg2xe2+ en wit gaf op. Zoals Herman zelf in zijn boek aangeeft, was 7. ... Tf2+ 8. Dg2 Tf1 mat nog beter.

Alle informatie over de beoefening van de schaaksport in Boxtel vindt u op dubbelschaak.nl.

donderdag 28 mei 2009

Chess Strategy

De Internationale Meestertitel in het schaken wordt wel eens vergeleken met een universitaire graad. Talent en een jaar of zes keihard studeren moet voldoende zijn om je Master of Arts te mogen noemen, vergelijkbaar met de oude doctorandustitel, of Internationaal Meester wanneer je je liever op schaken toelegt. Noch op de universiteit, noch in het schaakspel heb ik het ooit gered. Mijn jeugdvriendje Herman Grooten wel. In de schaaksport, bedoel ik. Hij is Internationaal Meester. En wat zou hij graag promoveren. Grootmeester: dat is nog meer dan een doctorstitel. Alleen bereikbaar voor de echte straatvechters onder de bollebozen die in de toernooiarena keihard van zich af weten te slaan.

Vorige week belde Herman me op. Of het uitkwam … ja natuurlijk!

Hij bracht een boek voor me mee, Chess Strategy for Club Players, vers van de pers. Ik wist dat hij al jaren werkte aan een magnum opus. Voor een eerder veel bescheidener Nederlandstalig paperbackje over hetzelfde onderwerp had ik zelfs wel eens een voorwoord geschreven. Dat boek zou in het Engels vertaald worden, wist ik, en dit was het dan. Maar het boek dat ik overhandigd kreeg, was veel meer. Een knuppel van ruim vierhonderd pagina’s, vol fantastische schaakfragmenten waar het plezier van afspat. Het is een lofzang vol pure liefde voor het schaakspel, methodologisch gerangschikt, zodat het materiaal bruikbaar is voor ijverige schaakstudenten en hun trainers. Een prachtboek. Een proefschrift, waar Herman de grootmeestertitel voor verdient.

Wat zou ik met veel genoegen zijn paranimf zijn. Ik heb toch al gauw vijf meter schaakliteratuur in mijn boekenkast staan, maar dit boek hoort bij de top. Mooi geschreven, soms zelfs spannend, in stijlvol Engels, met als inhoud alles wat het schaakspel zo boeiend maakt. Ik zou alleen nog even wakker liggen van de kritische vragen van de heren professoren.

Grooten baseert zijn levenswerk op de ‘Elementen van Steinitz’. Wilhelm Steinitz domineerde de schaakwereld decennialang en was de allereerste officiële wereldkampioen van 1886 tot 1894. Hij ontdekte de basisprincipes van de schaakstrategie, die hij onderverdeelde in permanente en tijdelijke voordelen die vanaf het begin van een partij nagestreefd dienen te worden. Maar juist dat onderscheid rammelt. En zelfs de meest statische grondslagen van Steinitz’ leer, zijn door de moderne dynamiek achterhaald.

Grooten onderkent dat in zijn boek ook. Misschien een beetje te voorzichtig, denk ik. Maar daar lul ik hem wel uit. “Kijk dan naar de voorbeelden”, zou ik zeggen op de kritische vragen van de oppositie tijdens de promotieplechtigheid. “Alles is door de nieuwste schaaksoftware gecheckt Zo komen ook de modernste opvattingen aan de orde.” En trillend op mijn benen zou ik de grootmeesters toevoegen dat ze mogen hopen dat de clubschakers dit boek niet uit en te na zullen bestuderen. Want dat zou niet alleen een gesjeesde student zoals ik van zijn plaatselijke kampioenschappen beroven, maar ook het hele grootmeestersgilde van allerlei gemakkelijke overwinningen op eenvoudige amateurs. Er is geen boek dat ik u met zoveel plezier aanbeveel.



Opgave 272 van deze rubriek is een oefening uit Herman Grootens boek. Zwart (Herman zelf) heeft een pion geofferd voor een sterke loper en actieve stukken. Hij vraagt de lezer of de tijd al rijp is voor een combinatie. Zwart is aan zet.



In de stelling van de opgave van vorige week gaf de zwartspeler op. Ten onrechte. Hij kon winnen met 1. ... De2-g4!! (of 1. ... Dd1+ 2. Kh2! Dg4!!). Daarmee haalt hij het mat uit de stelling en blijft minstens een toren voor.

Herman Grooten, Chess Strategy for Club Players, New in Chess 2009, ISBN-13: 978-90-5691-268-0.

Het boek is ook verkrijgbaar bij De Beste Zet. Alle informatie over de beoefening van de schaaksport in Boxtel vind je op dubbelschaak.nl.

vrijdag 22 mei 2009

Verliezen om te winnen

Het schaakspel heeft een eeuwenlange geschiedenis. Alle competitievormen en speelschema’s zijn uitgeprobeerd en tot in de puntjes geoptimaliseerd. Toch zijn er nog altijd lieden die het beter denken te weten. Zo bedacht het Dubbelschaak-bestuur enkele jaren geleden een geheel nieuwe opzet voor het clubkampioenschap.

Bij Dubbelschaak worden de leden op sterkte ingedeeld in poules van zes spelers. In een seizoen worden vier cycli van die poulewedstrijden afgewerkt. Heel gewoon met promotie en degradatie. Maar de puntentelling voor het clubkampioenschap is revolutionair: de nummer één in de eindrangschikking van poule 1 krijgt één kampioenspunt, nummer twee krijgt twee punten, enzovoorts. Degene met het laagste totaal plaatst zich voor de play-offs. Aangevuld met iedereen die niet meer dan drie kampioenspunten achterstand heeft.

“Er heeft nog nooit iemand gewonnen door op te geven!” Het zijn gevleugelde woorden in de schaaksport. De kans bestaat dat er in Boxtel binnenkort een situatie ontstaat waarin het om te winnen verstandig is keihard te capituleren. Voor het mooi zijn natuurlijk liefst in een gewonnen stelling!

Wat is er aan de hand? Na drie van de vier periodes is er één speler zeker van de play-offs. Dat ben ik zelf. Twee spelers kunnen zich nog plaatsen: Peter Boll, maar alleen als hij de vierde periode wint, en Job de Lange als hij in de laatste periode hoger eindigt dan de vierde plaats. Maar stel nou eens dat Peter Boll het niet haalt (dat is niet onredelijk, want hij heeft nog nooit eerder een periodetitel behaald). En stel nou eens dat ik net als in twee van de drie vorige periodes opnieuw met enige voorsprong eerste wordt (ook niet zo’n gekke veronderstelling, want ik heb Job in de vierde periode al verslagen). Dan kan in één van de laatste ronden wel eens een heel vreemde situatie ontstaan, waarin voor mij verliezen belangrijker is dan winnen. Om zonder play-offs kampioen te worden, hoef ik dan immers alleen nog een achtervolger te helpen om Job te passeren.

Zoals u merkt, proberen schakers ook buiten het schaakbord ver vooruit te denken. Veel resultaat levert dat niet altijd op.



Opgeven in een gewonnen stelling komt overigens vrij regelmatig voor. Tim Krabbé noemt het ‘de ultieme blunder’. Opgave 241 is een voorbeeld. Zwart is zo juist verrast door een wit dameoffer op f6. Hij zag geen mogelijkheid meer om zich te verdedigen en gaf de partij op. Ziet u hoe zwart kan winnen?



Opgave 240 kwam uit een vluggertje met één minuut bedenktijd tussen Bronstein en Spassky. Bronstein won met 1. Tf1-f5+ Pd4xf5 2. c2-c4 mat.

Alle informatie over de beoefening van de schaaksport in Boxtel vindt u op dubbelschaak.nl.

Snelschaken

Dinsdag 26 mei staat in Grand Café Rembrandt het snelschaakkampioenschap van Dubbelschaak op het programma. Voor wie liever geen urenlange partijen speelt, is het een mooie gelegenheid om een keer mee te doen. Ook niet-leden zijn welkom. Maar vergist u zich niet: snelschaken met maar vijf minuten bedenktijd per persoon per partij is een uiterst inspannende en slopende activiteit. Het is een kwestie van ultieme concentratie. Bovendien kunnen de emotie hoog oplopen, vooral als er stukken worden omgestoten, of wanneer iemand in een dooie remise stelling de tegenstander door zijn bedenktijd probeert te jagen. Vooral als het ergens om gaat, zoals een clubkampioenschap, gieren bij de meeste spelers de zenuwen door de keel. U begrijpt het al: snelschaken is ook voor de toeschouwer een fantastisch tafereel. U bent van harte welkom.

Heel anders gaat het er aan toe als geroutineerde schakers voor hun plezier in het café snelschaken. Dan gaat het er vooral om verrassende trucs uit te halen en tegelijkertijd met allerlei praatjes de tegenstander om de tuin te leiden. Je kunt dan de gekste opmerkingen horen: “Ben ik aan zet?” “Doet ie dat echt?” “Dat heb je niet gezien hè!” “Ja, hoor, het is weer klaar!”

Afgelopen zaterdag ging het eerste team van Dubbelschaak na de wedstrijd tegen Stein eten bij de Italiaan op Fellenoord. Over de wedstrijd was iedereen gauw uitgepraat. Toen kwamen, zoals het mannen onder elkaar betaamt, allerlei cabaretteksten aan bod. Vooral Koot en Bie bleken nog goed in de herinnering te liggen. De ultieme verzetsdaad van hun gebroeders Gé en Arie Temmes, die in de oorlog een Duister de verkeerde kant op stuurden toen hij naar het station vroeg, wekte weer veel hilariteit op.

Later op de avond werd er bij een van de spelers thuis nog even gesnelschaakt onder het genot van flink wat bier en wijn. Wie er mee begon, weet ik niet meer, maar al gauw werd bij iedere verrassende zet door alle aanwezigen “Do ist der Bahnhof!” geroepen. Want daar gaat het natuurlijk om bij snelschaken: de tegenstander de verkeerde kant op sturen.


In een vluggertje met één minuut bedenktijd kregen Bronstein en Spassky na 13 zetten de stelling van opgave 240. Wit speelde verrassend 1. Te1xe6! Kd7xe6 2. Pc3xd5! Zwart zit opeens in een moeilijk parket. 2. … Pxd5 3. Df5+ Ke7 4. Df7 is mat. Spassky speelde 2. … Pc6xd4 3. Df3-e3 Ke6xd5. Het is nu mat in twee en u mag er zo lang over nadenken als u wilt.



Opgave 239 van Bondarenko illustreert fraai de kracht van een Zwickmühle. Wit wint steeds een tempo om weer een stuk te pakken. 1. Tg8-h8+!! Kh7xh8 2. Tc5-c8+ Kh8-h7 3. Lf7-g8+ Kh7-h8 4. Lg8-xe6+ Kh8-h7 5. Le6-g8+ Kh7-h8 6. Lg8xd5+ Kh8-h7 7. Ld5-g8+ Kh7-h8 8. Lg8xc4+ Kh8-h7 9. Lc4-g8+ Kh7-h8 10. Lg8-xb3+ Kh8-h7 11. Lb3-g8+ Kh7-h8 12. Lg8xa2+ Kh7 13. La2-g8+ Kh7-h8 14. Lg8-b3+ Kh8-h7 15. Lb3xf7+ en wit wint gemakkelijk.

Wie nu nog niet begrijpt hoe leuk schaken is, kan maar beter geen lid worden van de club. Anderen verwijs ik voor alle informatie over de beoefening van de schaaksport in Boxtel graag naar dubbelschaak.nl.