vrijdag 13 oktober 2006

Voorbij pat

Door Huub van Dongen

"Voorbij pat" is de uitdrukking die Tim Krabbé in zijn onsterfelijke boekje Schaakcuriosa gebruikt voor een volkomen ondoordringbare stelling. Het verschijnsel komt uiterst zelden voor in het schaakspel, maar het principe is vrij gemakkelijk te begrijpen. Voor mensen tenminste. Want computers snappen er niets van.

Schaakcomputers en schaakprogramma’s voor de pc kijken in iedere stelling naar iedere mogelijke zet. Afhankelijk van de snelheid van het systeem en het beschikbare geheugen construeert het programma ieder mogelijk zettenverloop tot soms wel zeven of acht zetten vooruit. Het gaat daarbij om miljarden verschillende stellingen en van al die stellingen maakt het programma een beoordeling. Helaas is die beoordelingsfunctie nog altijd uiterst primitief. Ja, tellen wie er voor staat, kan de pc wel. En mat mist ie natuurlijk nooit. Maar iets ingewikkeldere zaken gaan de schaaksoftware boven de pet.



In opgave 141, uit een partij tussen Dubbelschaak-jeugdspelers Sjors Cooijmans en Roel Koemeester, stelt mijn Fritz-versie, de voormalige wereldkampioen onder de pc-programma’s, de slechte zet 1. b2-b4 voor. Het antwoord 1. … a5-a4! verwerpt hij wegens 2. Pe8-d6+ Kf5-e5 3. Pd6xc4 b5xc4 en wit wint, denkt Fritz. Z’n evaluatiefunctie zegt ongetwijfeld dat een pionneneindspel met een pion meer vrijwel altijd gewonnen is, en zeker met een gedekte vrijpion. Maar er klopt natuurlijk niets van. Wit kan alleen met z’n koning achter z’n pionnen heen en weer spelen. De stelling is volkomen ondoordringbaar. Alle toegangswegen voor de witte koning zijn afgesloten.

Sjors deed het veel beter. Hij speelde 1. Pe8-d6+ Kf5-g6, het maakt niet uit waar de koning naar toe gaat, 2. Pd6xc4 b5xc4 3. a3-a4!! Met deze geweldige zet bewijst Sjors dat híj het wel snapt. Hij mag a5-a4 niet toelaten. De partij vervolgde met 3. … Kg6-f5 4. Kf2-e2 Kf5-e5 5. Ke2-d2 Ke5-d5 6. Kd2-c2 Kd5-c5 7. b2-b3!



Dat was de bedoeling: Sjors breekt de stelling open. Hij keek in de stelling van opgave 141 zeven zetten vooruit en z’n beoordeling was ook uitstekend. We maken er een dubbele opgave van. 142a: Roel speelde 7. … Kc5-d5. Hoe had Sjors nu kunnen winnen? En 142b: Hoe wint wit eigenlijk na 7. … c4xb3?

Onder 'comment' vindt u een tip om tot de juiste oplossing te komen. U kunt er ook uw eigen commentaar invoeren. En tot 19 oktober ook uw oplossing van opgave 142.

1 opmerking:

Huub van Dongen zei

In pionneneindspelen moet bijna altijd van zetdwang gebruik gemaakt worden om te winnen. In veel gevallen, zoals hier, gaat het zelfs om wederzijdse zetdwang. Wie in een zo'n stelling aan zet is, is in het nadeel. Kijk bijvoorbeeld maar eens naar de stelling na 7. ... cxb3 8. Kxb3 Kd5 9. Kc2? Kc4. Met wit aan zet, is deze stelling nadelig voor wit. Hij moet de zwarte koning óf op b3 óf op d3 toelaten. Wit moet er juist voor zorgen dat hij deze stelling op het bord krijgt met zwart aan zet. Hij komt dan zelf met de koning op d3 en wint gemakkelijk: bijvoorbeeld na 10. ... Kd5 11. Kd3 Kc5 12. c4 Kb4 13. Kd4 Kxa4 14. Kc3! en de witte d-pion loopt vrijuit naar dame. Ook in de a-opgave wint wit met een dergelijke wederzijdse zetdwangstelling. De vraag is dus: hoe dringt wit de zetplicht aan zwart op in die zetdwangsituaties.